Mijn zoon begon zijn leven met een mond die alleen maar kon zuigen en spugen. Tegenwoordig praat hij ook, de hele dag door, met een stem waar geen grens aan lijkt te komen. Het kan altijd hoger. En harder. En hij heeft nog wat te vertellen ook.

Wat hij vertelt is voor het overgrote deel fictie. Het zijn echo’s van verhalen die hij heeft gehoord in de boeken die we hem voorlezen, van programma’s op de televisie, in liedjes die we voor hem draaien. Zo begint fictie, dus: oude verhalen blijven plakken. Ze draaien daar ergens rond in de hersenen van driejarige jongens, veranderen een beetje en komen er dan weer uit. Alsof originaliteit niet bestaat, hoogstens in een combinatie die we eerder nog niet zagen. Een tikje cynisch, ik weet het, maar dat gevoel krijg je. Niets nieuws onder de zon.

Je ziet het aan de namen die onze jongen uitkiest voor zijn knuffels. Een driemanschap konijnen zijn het, ooit bedacht als vervangbaar, inmiddels uniek. Het oudste konijn heet Suzy, een echo van zijn moeders naam of naar dat personage uit Peppa Pig, zijn eerste favoriete televisieprogramma. Waar hij Eva vandaan heeft geplukt, weet ik niet; de Schrift lijkt me wat al te sterk. Wintebielsnelheid is de meest recente naam, en die komt vast uit Blaze met de monsterwielen, want die kan met lichtsnelheid rijden, als je zegt: ‘Knallen Blaze!’

Namen zijn een staalkaart van onze favoriete ficties.

Zeker zo interessant als de manier waarop verhalen blijven plakken, al is het maar in een naam, is de manier waarop hij mij de laatste tijd vraagt om hem nieuwe verhalen aan te bieden. In de auto bijvoorbeeld, of ’s morgens vroeg, als hij bij ons in bed kruipt. Meestal geeft hij eerst een samenvatting van het verhaal dat hij wil horen, waarop hij zegt: ‘Wil je dat vertellen? Wil je dat alsjeblieft vertellen?’ Hij levert de inspiratie, ik werk zijn plot uit. Tot in detail, want anders moet het over. Streng is hij, alsof hij me daarmee wil zeggen: wat je vertelt mag dan wel fictie zijn, maar er zijn regels. Ik accepteer niet zomaar elk verhaal dat je me voorschotelt.

Mooi vind ik dat. Drie jaar oud nog maar, en nu al leert hij mij hoe het zit, wat werkt in een verhaal en wat niet. Mijn conclusie is onontkoombaar: er is niets beter voor een schrijver dan vaderschap.

%d bloggers liken dit: