Zo lekker was ik aan het schrijven in mijn Publiek dagboek, elke dag opnieuw, dat ik even dacht dat ik het schrijverswiel opnieuw had uitgevonden. Productief was ik. Grappig, nu en dan. Maar belangrijker waren de tientallen, honderden lezers van mijn inspanningen. Door even in de avond de laptop te openen en aan het tikken te slaan terwijl Netflix op de achtergrond ratelde vond ik ze terug. Doorbrak ik het blok. Het ging gewoon te goed, weet ik nu. Instorten moest ik, na een derde feestje rond Jan Siebelink, dit keer in Ede. Het was tragisch maar onvermijdelijk.

Instorten, niet voor het eerst

Het was niet voor het eerst en het zal heus niet voor het laatst zijn. Zoiets fluister ik mezelf sussend toe. Eindelijk wijs geworden, of wat daarvoor doorgaat. Ik start een nieuwe onderneming vol goede moed en doe mijn uiterste best, maar dan is het ineens  voorbij met de pret. Dit keer begon ik ineens te kuchen. Een enkele keer in de avond, elke dag wat meer. Ik kreeg pijnlijke plekken op mijn tong, op precies dezelfde plek waar mijn kind een week eerder over klaagde. Alsof hij in brand stond. Wat een respect heb ik ineens voor zijn pijndrempel. Precies een week na dat feestje hoestte ik gisteren weer wakker eens. Om een uur ’s nachts voor het eerst en nog eens om drie uur. Ik evacueerde opnieuw naar de bank beneden, om de rest te sparen. Als vanouds.

Conclusies

Mijn conclusies uit deze ervaringen zijn onvermijdelijk. Een kind is slecht voor je gezondheid. Voor zijn komst was ik nooit of nauwelijks ooit ziek. Misschien eens per schrikkeljaar. Zijn kinderopvang verdenk ik, die met de vrolijke clownsnaam, waar meer snottebellen rondlopen dan je kunt tellen. En nog zo’n conclusie: schrijvers moeten vooral niet te sociaal willen wezen, zelfs niet als gaat het om de tachtigste verjaardag van een dierbare vriend. Hoe prettig ook, je betaalt ervoor. Ik ben tenslotte ook de jongste niet meer.