25 januari.

Dit Publiek Dagboek komt niet uit de lucht vallen, als een of ander heilig boek. Heus niet. Ik schrijf al zo lang ik volwassen ben, elke avond trouw in mijn schrift dat niemand leest en waar ik zelf ook nooit meer inkijk. Geen idee waarom ik het toch blijf doen. Zo nutteloos, eigenlijk. Een vorm van masturbatie. Het openkrabben van een puist. Ik geloof niet eens dat ik in die pagina’s heb leren schrijven, maar misschien moet ik daar later nog maar eens een gedachte aan wagen. Wat ik schrijf in mijn fysieke dagboeken verdwijnt restloos in het papier, tussen de kaften. Introverter is niet mogelijk. Het lijkt me sterk dat het ooit nog iets gaat opleveren. Veertien delen inmiddels, 160 dichtbeschreven pagina’s per deel, ik durf niet te tellen hoeveel woorden het inmiddels bedraagt. Of het uit te rekenen. En dan tel ik de acht delen die ik in mijn geloofscrisis heb weggegooid niet eens mee – mijn hele leven tot mijn dertigste. Weg ermee. Dat was pas zonde.

Ik schrijf dit trouwens terwijl iedereen boven ligt te slapen, heerlijk rustig. Vrouw en kind. De buurman is inmiddels ook tot rust gekomen: zijn stem klinkt niet meer op hoge toon door onze muren heen. Degene met wie hij in gesprek was, als je me dat eufemisme vergeeft, was een uur geleden al vertrokken, hij sputterde nog even na, maar nu is het vredig. Dat gun ik hem. Alleen de wasmachine draait nu en dan tegen de verkreukeling. En ik hoest, laten we dat niet vergeten. Ik hoest al bijna twee weken mijn keel schor. Ik durf niet naar boven omdat ik mijn vrouw dan wakker ga maken, ongetwijfeld. Dan vlucht ze naar de bank, waar ze naar eigen zeggen zo goed slaapt. Vijf uur kou lijden, zal ze bedoelen. Gek worden van de tikkende klok aan de muur en van het werk dat morgen op haar wacht. Ik zuig nog een dropje en hoop dat dit stukje mijn aandacht afleidt tot ik toch echt naar bed zal moeten. Iets moet er gebeuren.

Dan maar doen wat ik het liefste doe. En nu maar eens productief, wat Privacy is theft. En Sharing is caring. En vergeet deze niet: Secrets are lies. Of, en dan wat minder eloquent: als je jeuk hebt moet je krabben. Als het kriebelt mag je hoesten. Als het kreukelt schud je het op. En tenslotte: er is niks mis met een goede ruzie, om de lucht te klaren. Al zou ik nu niet graag met mijn buurman in de clinch liggen om wat ik hier schrijf. Dat blijft een risico waar Elke Geurts over kan meepraten.

Het liefste zou ik hebben, dat dit schrijven en publiceren niet meer is dan wat ik altijd al deed in mijn schriften. Maar dan doorzoekbaar en gered van de vuilnisbak. Heel privé, heel bescheiden schrijf ik gewoon steeds het verhaal van de dag. Als een vorm van vermaak en verwerking, meer niet. Spreek me er niet op aan, alsjeblieft, laten we de illusie bewaren dat het een dagboek is, dat ik schrijf. Laat het wel een publiek dagboek zijn, maar toch vooral introvert blijven. Een veilige ruimte. Dat zou mooi zijn. Laten we afspreken dat het blijft wat het is: een geheim dagboek dat per ongeluk publiek geheim wordt. O wacht, dat is ook al eens gedaan. Mijn naam is Hendrik Groen, aangenaam.