Jan Siebelink zag er kloek uit in zijn blauw fluwelen colbert met witte revers, een forse corsage erop gespeld. Ik kon de bloem niet thuisbrengen, maar dat zou voor hem wel anders zijn. Een smetteloze, haast witte pantalon boven donkerblauwe oxfords, van het slanke model. Hij had er werk van gemaakt. Alleen zijn gezicht was onveranderd: dat van een bekende Nederlander, misschien een tikje vermoeider dan je zou verwachten, wat ouder. Hij was niet vanzelf tot dit moment gekomen.

Met dit moment bedoel ik zijn verjaardagsfeest, speciaal voor hem georganiseerd in het pand van de Bezige Bij, aan de Van Miereveldstraat. De vlag hing uit, een grotere vlag dan ik ooit had gezien. Zijn portret hing voor alle ramen. Binnen hingen plastic vlaggetjes. Met plakband waren tulpen op deuren geplakt, op zeefdrukken van Jan Cremer achter glas. Hollandse koeien waren het. Eén tulp was in de deurpost terechtgekomen, waar hij werd geplet, elke keer dat de deur open of dichtging. Dat gebeurde vaak, want het zaaltje moest vol met gasten.

Ook ik vond een plek, helemaal achterin. Eerst probeerde ik net als iedereen op een eenvoudige houten klapstoel plaats te nemen, maar uiteindelijk klapte ik hem in en ging ik maar zitten op de grote bank vol kussens die om onverklaarbare redenen onbezet was gebleven. Als ik iets wilde zien moest ik opstaan, dat was het enige nadeel. Maar het was comfortabel. Een bekende schrijver opende de deur en volgde dezelfde stappen: eerst het klapstoeltje, daarna constateren dat er te weinig plaats was, het opklappen en toen zaten we daar ineens in een kamer vol mensen, samen op de bank. De uitgever kondigde met plezier de tachtigste verjaardag van Jan aan. Iedereen klapte behalve de schrijver naast me. ‘Ik klap niet voor een leeftijd,’ verontschuldigde hij zich.