Die keer in Oeteldonk dronk ik al geen bier meer en dan is carnaval toch echt anders. Wijn brengt een intensere, introvertere vorm van dronkenschap dan bier. Het slaat harder toe, dat denk ik tenminste, en dat komt door de hogere concentratie alcohol. In plaats van vijf procent klok je ineens 12 procent naar binnen. Het wordt sneller opgenomen, vrees ik. Geen met voedzame vloeibaarheid gevulde bierbuik krijg je, geen warm klotsende vriendelijkheid daarbinnen. Geen verbroedering. Wijn is zuur, zeker de carnavaleske variant. Vooral als je ook nog eens om witte wijn vraagt, droge witte wijn, omdat je echt een volwassen smaakbeleving hebt ontwikkeld. Pisdrinken was het.

Bij het bestellen van het eerste glas voelde ik me al uit de algemene gezelligheid vallen, iedereen verbaasd: wat ben jij voor partypooper?, langzaam maar zeker steeds harder. Mijn vrienden dronken vrolijk door, ik voelde de inkeer toeslaan. Mijn laatste herinnering is die van mezelf met een rode kabouter Plopmuts op, met belletjes aan beide punten, een witte baard als een krans om mijn gezicht, kijkend naar mijn spiegelbeeld in de donkere ruit van een kroeg. Daarbinnen het gehos. Buiten het gekots. Wie ben jij? Wat doe je hier eigenlijk? Ken ik jou nog wel?

Bokkenrijk

In Bokkenrijk, nog voordat ik volwassen besloot te worden, mijn laatste reguliere carnaval voor mijn intrede. Ik had ergens een origineel soldatenpak gescoord uit de tweede wereldoorlog. Een Engelse piloot was ik, en al prikte de dikke blauwe wollen stof op mijn bovenbenen, ik voelde me een held. Decoraties op de mouw. Een pet op. Kort jasje, hoge broek. Bier in mijn mond, toen nog wel. Eén keer slaagde ik er zelfs in om een meisje uit te nodigen met me te dansen, maar voordat het gezellig kon worden was ze weer weg. De stof prikte in haar arme perzikhuidje en de droom vervloog. Maar stoer was ik wel.