De eerste tweehonderd bladzijden van Vrijheid van Jonathan Franzen waren niet gemakkelijk. Zwaar zelfs. Ik kwam er nauwelijks doorheen. Hij voerde een verteller op die naar zichzelf refereerde als ‘De autobiografe’, serieus! Een vrouw met een geknakte sportcarrière die nu vast zat in een leven dat me nauwelijks kon boeien. Later dook er verlopen rockster op, daarna nog wat onhebbelijk ombarmhartige kinderen. Levens vol van typische first-world problems. Maar ik las door, bleef eraan werken omdat ik dacht: Franzen heeft vast moeten zwoegen om zoveel woorden op papier te krijgen. Dat verdient wat krediet. En wie een schrijver geen ruimte geeft, smoort de literatuur. Plus, hij was een vriend van David Foster Wallace, dat had ook vast een reden.

Mijn harde werk, je raad het al, heeft zin gehad. Toen ik de laatste bladzijden van de roman uitlas, op het terras van Palazzo Romano in Catania, was ik ontroerd. Diep geraakt door de fijnzinnige manier waarop Franzen alle lijnen had samengeknoopt, hoop had gegeven, een onvervalste moralist bleek te zijn. De wijdse blik kwam tenslotte samen in een emotie die ik niet had verwacht. Dat was mijn ervaring. Een traan over mijn wang, werkelijk waar.

Als ik er zo op terugkijk was het natuurlijk vooral het einde van de vakantie. De angst om het vliegtuig van een dag later te missen. Het strandzand tussen mijn tenen, dat maar niet wilde drogen. Of het besef dat Franzen weleens de redding zou kunnen zijn van de literatuur in barre, digitale tijden? Of toch de opluchting dat ik die verdomde roman na zoveel zware uren eindelijk de baas was? Jonathan mag het weten.

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor mijn nieuwsbrief en blijf op de hoogte.

Je bent met succes aangemeld!

Share This